Zoeken



Het orgel getoont

Een overzicht van zes eeuwen orgelcultuur in Nederland

6 februari 2004 t/m 2 april 2004

Zestig foto’s van fotograaf Koos Schippers geven een overzicht van de ontwikkeling van de orgelcultuur in Nederland vanaf ca. 1450 tot heden. De fotobijschriften gaan in op de ontwikkeling van het orgel in die periode. De meer technische aspecten van het orgel als instrument worden verklaard aan de hand van zowel bijzondere als kostbare objecten.

Nederland heeft een keur aan prachtige orgels, verhoudingsgewijs waarschijnlijk meer dan enig ander land in de wereld. Ons land staat dan ook wel bekend als de ‘orgeltuin van Europa’. Toch is dit bijzondere instrument bij veel mensen relatief onbekend. Middels deze tentoonstelling, die de inleiding vormt van een reizende expositie die de komende jaren in een aantal kerken Nederland te zien zal zijn, willen het Gemeentemuseum Elburg en het Nationaal Historisch Orgelmuseum daar graag verandering in brengen.

Het orgel is een muziekinstrument dat thuishoort in de rij van blaasinstrumenten en ook wel beschouwd wordt als toetsinstrument. Het is in de zesde eeuw voor Christus ontstaan uit de panfluit. Na vele eeuwen ontwikkelde het orgel zich van wereldlijk instrument (waterorgel) tot instrument dat voornamelijk in kerken werd gebruikt ten behoeve van de eredienst.
 
Met betrekking tot de orgelbouw in Nederland, moeten we terug tot het jaar 1480. In dat jaar bouwde de Utrechtse orgelmaker mr. Pieter Geerts een orgel voor de Nicolaikerk te Utrecht. Tegenwoordig staat dit orgel in de Koorkerk te Middelburg; het wordt beschouwd als een van de oudste orgels van West-Europa en is met zijn gotische kas(t) een sieraad voor de kerk. De vroegste orgels waren klein van formaat. Ze speelden nog een ondergeschikte rol tijdens de eredienst. In deze periode kwam de koorzang op de eerste plaats.
 
Tijdens de Reformatie veranderde dit drastisch. In deze periode werd immers op grote schaal de volkszang ingevoerd. De oude orgels hadden hiervoor onvoldoende capaciteit en bovendien waren de organisten vaak onbekwaam voor hun nieuwe taak. Onder andere door de opdrachten van stadsbesturen om de kerkorgels dagelijks te laten bespelen – in de hoop het volk daarmee uit minder nette gelegenheden weg te houden – en de toenemende concurrentie tussen de welvarende Hollandse steden in de 17de eeuw, kwam de orgelbouw in de 18de eeuw tot ongekende bloei. Steden als Leiden, Alkmaar, Den Haag en Amsterdam trachtten elkaar de loef af te steken met hun orgels. Orgelbouwers als Hagerbeer, Duyschot, Müller en Bätz kregen de ene opdracht na de andere.

In de 19de eeuw ging het in Nederland snel bergafwaarts met de orgelcultuur. Het openbare muziekleven verplaatste zich van de kerk naar de concertzaal, waar orkesten zich geleidelijk ontwikkelden tot symfonieorkesten. Het orgel raakte langzaam maar zeker op de achtergrond.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er weer een opleving die zich ook na de oorlog voortzette. Momenteel zijn er in Nederland weer een groot aantal orgelbouwers van formaat die de eer van ons land als zijnde orgelland bij uitstek hoog weten te houden.